54
Van etymologieën die op de examens in trek zijn zegge men kort en
goed
wat er
van is; men wachte zich de oplossing der moeielijkste vragen den leek voor te
leggen, alsof de taalwetenschap met hare ontzagwekkende geleerdheid nog altijd
in de schoenen van mijnheer Becanus stond. Voor wij hier en daar den vinger leggen,
moet het ons echter van 't hart, dat de Oefenboeken in 't algemeen (ook eenige
Spraakkunsten) zich in etymologische dingen
te buiten gaan
en het in den volledigen
Taalcursus juist niet bonter toegaat dan elders. Opgaven als die nu volgen kunnen
wij niet prijzen: Of de
r
van ‘vreezen’, met ‘vervaren’ vergeleken, ‘aan een
spraakkunstige figuur doet denken’ en deze woorden verwant zijn (30); of de afleiding
van ‘tolk’ de beteekenis toelicht en het woord samenhangt met ‘taal’, ‘vertellen’,
(121, 131); is ‘schichtig’ gevormd van ‘schicht’ (152); etymologie van ‘aardig’ (151);
zijn ‘strompelen’ en ‘mompelen’ eveneens gevormd (130); is ‘steigeren’ een
frequentatief of een denominatief (132); staat ‘handhaven’ met ‘hebben’ en ‘houden’,
met ‘heft’ en ‘hecht’ in ‘messenheft’ in verband (172); vorming van ‘voordeel’,
‘bolwerk’, vaandrig (171). Met genoegen merkten wij op, dat de schrijver de
regelmatige afleiding tot een oefening in juist redeneeren weet te verheffen. Minder
geschikt is daartoe eene vraag als deze: ‘
oudjens:
dit is het meerv. van oudje(n),
een verkleinw. gevormd van het bijv. nw.
oud;
- hier is de
n
ingevoegd; - is dat een
grammatische figuur?’ Het woord ‘vaandrig’ komt bij herhaling op de proppen. Op
pag. 172 wordt gevraagd, of de vorming aldus is: vaan - vaner - vaanre - vaanrig -
- vaandrig: of in ‘vaanrig’
ig
=
hebbende
is en dus ‘vaandrig’ = hij, die de vaan heeft.
Of, heet het verder, kan ‘vaandrig’ ook gevormd zijn van:
vaan
en
dragen
, en pleit
voor deze laatste meening het gebruik van woorden als
bliksemdrig
, bij Vondel,
Bilderdijk e.a.? Wat moet de onderwijzer hier nu op antwoorden? En wat wijsheid
kan hij uit zich-zelven putten omtrent den naamval van
U
in ‘U hongert’? Doch
genoeg reeds om kenbaar te maken, wat in deze behandelingswijze, onzes inziens,
den toets niet doorstaan kan.
Dat de heer Van Wijnen niet enkel vraagt, maar ook mededeelt, zeiden wij. Aan
de mededeeling, aan de toelichting vooral van kleine hoofdstukjes uit de Spraakkunst,
zouden wij echter nog meer ruimte besteed wenschen. Wel spant de
Taalcursus
ook in dit opzicht de kroon; grooter verscheidenheid ware ons echter zeer welkom
geweest. De prijs van het werk is thans zoo gering (270 bladzn.), dat eenige
uitbreiding bij een tweeden druk wel gewaagd kan worden.
Wij gaan er nu toe over, nog een aantal plaatsen aan te wijzen, waar wij ons met
een of ander niet vereenigen konden. De lezer zie in de critiek niet anders dan onze
belangstelling in de studie der moedertaal. De schrijver neme onze opmerkingen
in overweging. Is
ten
in ‘ten boog’ (19) = tot
den?
Zal de studeerende bij vraag 10,
pag. 21 niet vragen, of
't zij
in
Bronbeek
I, dat aanleiding tot deze vraag was, dan
ook niet, met behoud
Taal en Letteren. Jaargang 2
Commenti su questo manuale