281
te verklaren, dan stuiten we bij deze uitdrukkingen op iets onlogisch, dat bij
laten
,
gevolgd door een nominatief, niet bestaat.
Zooals uit de aangevoerde voorbeelden ten duidelijkste blijkt, komt de infinitief
als werkwoordelijk praedicaatswoord bij het lijdend voorwerp voor na werkwoorden
die, zooals
laten
en
doen
, een toelaten of veroorzaken beteekenen, of na
werkwoorden die, zooals
zien
,
hooren
,
voelen
enz., eene waarneming te kennen
geven.
Tot hiertoe zagen we alleen den infinitief, dus het werkwoord zonder
persoonsvorm, als praedicaatswoord dienst doen. We weten echter, dat het gezegde
niet altijd een werkwoord is, maar dat ook
zelfstandige
en
bijvoeglijke naamwoorden
als gezegde in den zin kunnen optreden. Welnu, ook zulke naamwoordelijke
gezegden kunnen door een praedicaatswoord aan het een of ander zinsdeel worden
toegekend.
Laten wij eerst die gevallen beschouwen, waarin de overeenkomst van het
naamwoordelijke praedicaatswoord
met het reeds behandelde
werkwoordelijke
het
sterkst uitkomt. Nemen we daartoe als voorbeelden:
de meid maakt de kamer schoon
en
de leerling vindt natuurkunde een moeielijk vak
. Ook hier zijn
kamer
en
natuurkunde
, waarbij
schoon
en
een moeielijk vak
een gezegde noemen, het lijdend
voorwerp in den uitgedrukten zin; ook hier geldt de regel, dien we bij de behandeling
van het werkwoordelijk praedicaatswoord hebben opgemerkt, nl. dat de koppeling
niet uitgedrukt wordt; ook hier zien we die koppeling wel uitgedrukt, zoodra we het
lijdend voorwerp met zijn praedicaatswoord uitbreiden tot een voorwerpszin, zooals
we deden toen we het voorbeeld
wij zien den schoorsteen rooken
uitbreidden tot
den samengestelden volzin
wij zien
,
dat de schoorsteen rookt;
de uitdrukking der
koppeling vinden we dan hier in den nominatiefvorm van
kamer
en
natuurkunde
en
den persoonsvorm van het koppelwerkwoord
zijn
of
worden;
de voorbeelden worden
dan:
de meid maakt
,
dat de kamer schoon is
of
wordt; de leerling vindt
,
dat
natuurkunde een moeielijk vak is
. Ook is er overeenstemming in beteekenis op te
merken tusschen de werkwoorden, waarbij een lijdend voorwerp met zulk een
naamwoordelijk praedicaatswoord voorkomt, en die, waarbij we lijdende voorwerpen
met werkwoordelijke praedicaatswoorden hebben gevonden. Vooreerst vinden we
hier ook werkwoorden, die een
toelaten
of
veroorzaken
beteekenen, zooals
laten
en het in het voorbeeld gebruikte werkwoord
maken;
wat die laatste beteekenis
betreft, moeten we opmerken, dat dat
veroorzaken
niet altijd letterlijk door het
werkwoord wordt uitgedrukt; het werkwoord kan eene handeling noemen, waarvan
het gevolg is, dat zekere zelfstandigheid eene zekere hoedanigheid verkrijgt, in welk
geval die zelfstandigheid door het lijdend voorwerp, die hoedanigheid door het
praedicaatswoord wordt genoemd. We hebben zulk een geval, indien we het eerste
der gebruikte voorbeelden veranderen in:
de meid veegt de kamer schoon;
ofschoon
vegen
niet zooals
maken
gezegd kan worden letterlijk een
veroorzaken
te kennen
te geven, is toch hier de handeling
vegen
te beschouwen als de oorzaak van het
schoon worden der
Taal en Letteren. Jaargang 2
Commenti su questo manuale