298
in de woestijn Bar-Séba. - Dit hebben we noodig te weten, voor het begrijpen dezer
derde strophe. Maar de nog volgende aanteekeningen van zakelijken aard zullen
daartoe niet overbodig zijn.
In 42 wordt met
de Zoon
Christus bedoeld, de Messias der Joden, die, naar zijne
afstamming uit Abraham (zie Mattheus I), als Zone Gods ‘
de
Zoon’ heet. In 57 wordt
gezinspeeld op Gen. XVI, 12, waarvan Ismaël voorzegd wordt: Hij zal een
woudezel
van een mensch zijn; zijne hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen
hem. Voor ‘woudezel’ zegt Da Costa
woudstier
. Het is niet geheel zeker wat dier er
in 't Oude Testament met het Hebreeuwsche woord dat er staat, bedoeld wordt. Het
komt ook voor Job VI, 5; XXIV, 5; XXXIX, 8; Psalm CIV, 11 etc.; Jeremia XIV, 6; er
zijn verschillende gissingen. Blijkbaar was het een dier van groote schoonheid,
kracht, snelheid en moed. Begrijpelijk is het, dat Ismaël in éénen adem een held
genoemd wordt en de herdersvorst Izak een lam tegenover dien woudstier.
We gaan nu over tot nauwkeuriger beschouwing. Het begin is moeilijk, vers. 40-42.
Vreemd is het gebruik van
staat
. De juiste opvatting schijnt ons deze (- en eene
andere zien wij ook niet -): Maar Sara
staat daar
, op Gods gezetten stond,
als
de
moeder van het zaad, waaruit eens de Messias geboren zal worden. Zòò, vinden
we
staat
hier zelfs het juiste woord op de rechte plaats. De lezer van Hagar behoort
het Bijbelverhaal wel indachtig te zijn: hoe de belofte van nakomelingschap aan den
aartsvader zoolang onvervuld blijft, dat er, naar menschen berekening, van vervulling
geen sprake meer zijn kan. Abraham is straks honderd jaren; Ismaël nadert reeds
de volwassenheid. Sara zal haar negentigste jaar voltooien. Abraham en Sara beide
hebben gelachen om het denkbeeld, dat zij nog vader en moeder zullen worden.
En evenwel - God heeft het uur vastgesteld, dat Sara daar staan zal en gezien zal
worden als een teeken van Zijn getrouwheid en macht. De bepaling van gesteldheid
zonder
als
is bij dichters zeer gewoon (zie b.v.
Kritiek
van De Génestet).
Maar Sara
mede staat
is: Sara mede
wordt gezien:
staat voor het oog van Abraham en de
menschen, staat daar
op eenmaal
voor zich-zelve als de moeder van een grooten
zoon: dáár, nl. op Gods gezetten stond. -
Menschelijk
in 42 is: op menschelijke
wijze, ook: als mensch.
En nu
in 43 bereidt voor op 't geen volgt. Oorspronkelijk is het de verkorting van
de vraag: ‘En wat gebeurt er nu?’, die (in onze aanteekeningen op
Marco
hadden
we 't daarover uitvoerig; ook in de vorige aflevering bladz. 197) licht een uitroep
wordt. -
Abram
is slechts schijnbaar derde naamv. -
die
is een betrekkelijk vnw.
44.
de aartsvaderlijke kniên
. De adjectieven op
-lijk
komen, vooral in het
zeventiendeëeuwsch, voor met de beteekenis van den genitief van het grondwoord:
Zoo staat er in den
Palamedes
van ‘de moederlijke schim’, ‘o vader-
Taal en Letteren. Jaargang 2
Commenti su questo manuale