166
wijze gekenmerkt, zoo is het de
Heilige Familie
; een diarrhee noemt men met een
woordenspel
vollen aflaat
, en voor de tien vingers bestaat de komische benaming
de tien geboden
, een uitdrukking, die zeer oud is, daar zij zich reeds bij Shakespeare
laat nawijzen
1)
.
In de middeleeuwsche oorkonden komen de bijnamen zeer talrijk voor, een bewijs
dat deze neiging reeds vroeg bij het volk werkende was. Belachelijk zijn zij altijd,
schaamteloos in menig geval. Oude familiecharters uit Vlaanderen vermelden
personen onder namen als
De Kromme
,
De Manke
,
De Dikkop
,
De Kasse
of
Bult
,
De Bierbolle
en m.a. In de Deventer Cameraersrekeningen (XIV
e
eeuw) worden
personen genoemd als
Smeerbier
,
Calverstert
,
Peerdesvoet
,
Schele Heyn
,
Lambert
mitten eenen hant
,
Dyricx wyf mitten oranghen oghen
, enz.
Hoe populair zulke namen waren in vroeger eeuwen, bewijzen onze oude kluchten,
die zoo getrouw het volksleven afschilderen. Voorbeelden zijn er te over. In Breero's
Klucht van de Koe
dragen nagenoeg al de personen van welke gesproken wordt,
een naam gevormd naar hunne lichamelijke of zedelijke eigenaardigheden.
Vriesse
Grietje
, de kostelijke waardin uit het
Swarte Paart
, vertelt ons van het leventje dat
een vrijster heeft geleid met
Doove Jas
, en
Mancke Klaas
en
Droncke Piet
, en meer
anderen. De sul die zich zijn koe laat ontstelen en op weg is om ze zelf te gaan
verkoopen, leert ons wat een man
Lange Dirck
is, de rijke boer, en zijn dochter
Magre Grietje
, die gevrijd wordt door
Pied Quist-goed
, welke laatste ‘het wel zal
ophelpen’:
.... ‘
Vreckebart
was het goed te vergaren een lust,
En om dat op te krijgen, had
Lichthart
nacht noch dach rust.’
Elders, in
Symen
nl. (vs. 395) komt
Pieter driebochgeldeneus
voor.
In vroeger eeuwen, toen de burgerlijke stand nog niet ingericht was, moesten
vele zulker namen dienen om den persoon te onderscheiden. De vrijheid van
spreken, welke de middeleeuwsche samenleving kenmerkt, vindt men terug in de
aangewende namen, des te meer daar de personen die aldus gedoopt werden,
edelen noch priesters waren en allerminst tot de hoogere klassen behoorden.
Naarmate het begrip der welvoegelijkheid zich later ontwikkelde, werden de
onzedelijkste namen gewijzigd of opgegeven; doch nog heden bestaan er, welke
het beroep op den Koning zouden rechtvaardigen.
2)
In de volkstaal, niet zelden als spreekwoord of spreuk, wordt menige eigennaam
schertsenderwijs aangewend om een gansch tegenovergesteld begrip voor den
geest te roepen dan het uitgedrukte.
3)
1)
In zijn
Henry VI
(2
d
part, A.I., Sc. 3) zegt niemand minder dan de hertogin van Gloster deze
voor de zeden des tijds zeer karakteristieke woorden: I'd set my
ten commandments
in your
face. (Ik zou mijn
tien geboden
op uw gezicht leggen.)
2) Van Hoorebeke.
Etude sur les noms patronymiques flamands
(1876) p. 264.
3) Vgl. het opstel van Cramer in den eersten jg. van dit tijdschrift:
Een wijze van woordvorming
,
p. 56.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Commenti su questo manuale