191
enkelvoud is ingedrongen. Dat zal wel eene vergissing zijn. Ook in het meervoud
had het impf. in 't Mnl. natuurlijk
a.
De
o
is aan het deelwoord ontleend.
Bij reg. 472 is de verklaring van
schuwden
m.i. onjuist. Het beteekent niet, zooals
tegenwoordig,
vreesden
, maar
ontweken
,
ontgingen
, zooals bv. ook
Reinaert
I, vs.
55: ‘hieromme
scuwedi
sconincx hof’,
Ferguut
vs. 2929: ‘Keyen hiet hi van hem
scuwen
’ en
Rijmbijbel
vs. 33785: ‘men mach niet
scuwen
dat sal ghescien’, d.i. men
kan niet
ontgaan
wat geschieden moet.
Bij reg. 544 is de opmerking bij
gebarnt
verkeerd. Wel is
branden
gevormd naar
analogie van het deelwoord
gebrand
, maar dat deelwoord zelf is regelmatig (met
zoogenaamden rückumlaut), en wel verre vandaar, dat het door metathesis uit
gebarnd
ontstaan zou zijn, is juist
barnen
,
gebarnd
ontstaan door metathesis uit
brennen
,
gebrand
.
Bij reg. 700 bevreemdt mij zeer de opmerking, dat
wambuis
eene samenstelling
van
wam
en
buis
zou zijn, ofschoon op het Mlt.
wambasium
, Ofr.
wambais
gewezen
wordt, die natuurlijk
afleidingen
zijn van
wambe
(buik). Ons woord
buis
is dus weleer
uit misverstand ontstaan door weglating van de niet meer begrepen eerste
lettergreep.
In reg. 777 beteekent
heusch
niet zoozeer ‘hoffelijk’ als wel ‘vriendelijk, minzaam.’
Bij reg. 821 wordt
wracht
een impf. van
werken
genoemd en niet van eenen
bijvorm
worken
, ‘die nooit is aangetroffen’, zegt Dr. Stoett. De
a
van
wracht
en de
o
van den nog meer gewonen en zeker meer oorspronkelijken vorm
wrocht
laten
zich echter eer uit een verloren
worken
verklaren, waarvan het voormalig bestaan
niet eenvoudig vermoed wordt, maar dat in de verwante talen inderdaad voorkomt.
Zoo heeft het Gotisch
waurkjan
, impf.
waurhta
en het Ohd.
wurchan
, impf.
worhta
en
wurhta
.
Tot deze opmerkingen wensch ik mij voor het oogenblik te bepalen. Zij mogen
door Dr. Stoett beschouwd worden als een gering tegengeschenk voor het vele
goede en leerzame, dat hij ons in de door hem zorgvuldig herziene uitgave der
bloemlezing uit Hooft's proza schonk.
Groningen
,
Januari
1892.
JAN TE WINKEL.
Sprokkel.
Zwakke genitief van eigennamen.
Vergis ik mij niet, dan is door uitgevers van zeventiende-eeuwsche teksten nog niet
de aandacht gevestigd op den veelvuldig voorkomenden
zwakken genitief van
mannelijke en vrouwelijke persoonsnamen
. Merkwaardig is het, dat de uitgang -
en
niet zelden als een op zich zelf staand woordje geschreven wordt.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Commenti su questo manuale