357
verschillende vormen bij elkaar kwamen in een exemplum, bewijzen o.a. nóg: ik,
mij, wij, ons; tu, vos; is, was, zijn. 't Is net zoo iets als ‘stedelijk’ naast ‘stad’
als genitief: gesteld nu dat mettertijd ‘stad’ verdween, en uit ‘stedelijk’ een nieuwe
nominatief, ‘stede’ b.v., ontstond - zooals ‘koninklijk’ naast ‘koning’ - dan had men
mettertijd een geval als ik zooeven voor 't oudste arisch mogelijk stelde.
We praten dus wel van woordstammen: maar men moet er altijd aan denken, dat
wij 't ons op die manier in de taalstudie gemakkelijk maken, door ons te verbeelden
dat de woorden van stammen en wortels zijn gevormd.
Wij noemen nu de stam, of wortel, níet het gedeelte dat als zelfstandig woord
voorkwam, maar dat, naar we veronderstellen, indertijd als de kern van een
bijeenbehoorende groep woorden overeenkwam; of voor vormend deel van een
aantal woorden zal gehouden wezen.
In de werkelijkheid kent de levende taal geen stammen, alleen rijen (zinnen van)
woorden (met beteekenis), die zij naar andere bestaande vervormt en wijzigt. En
vormende woorddeelen (prae- of suffixen van allerlei soort) bestaan even weinig
op zichzelf; men voelt hun bestaan alleen in hun verband met bepaalde
uitdrukkingen
1)
.
We zeggen dus, maar voor 't gemak, dat tal van woorden gevormd zijn uit wortels,
door het aanvoegen van prae- en suffixen.
In onze taal zijn die prae- en suffixen afgesleten; de overblijvende gedeelten van
het woord hebben door ‘umlaut’, ‘formübertragung’, ‘ausgleichung’ enz., hun
gedaante veranderd. Dan had reeds de oudere taal, het germaansch, de
verhoudingen van het indogermaansch, in klank, in formatie, in constructie gewijzigd.
Uit het nederlandsch is de wortel dan ook niet aan te wijzen; alleen door
vergelijking met de oudere germaansche talen, en meestal met behulp der
vergelijkende indogermaansche taalwetenschap alleen is die na te sporen.
Drie-, vierder-lei klank kon vaak de wortel hebben, naar gelang de klemtoon, of
de bijtoon er op rustte, of dat zij meer of min toonloos
1) Vgl. Paul, Prinzipien 64. Lees ook eens wat Victor Henry in de Introduction schreef van de
Précis de la gramm. comparée du grec et du latin: er zijn geen stammen,
‘quc les futurs linguistes s'en pénètrent. Qu'ils n'en infèrent rien contre la légitimité de leur
science, car des chimistes autorisés leur diront qu'il n'y a peut-être point d'atomes. Toute
science toute philosophie, toute religion a besoin d'images; l'essentiel est de n'en point
faire des idoles.’
Taal en Letteren. Jaargang 2
Commenti su questo manuale