118
hem de ziel zijn van het Engelsch gezantschap, waarbij hij vervolgens secretaris
was. Zes en twintig jaar oud werd hij op last van Koning Jacobus en op aanbeveling
van Van Aerssen ridder geslagen, toen hij voor de tweede maal in Engeland
gezantschapssecretaris was.
Niet alleen met de aanzienlijkste edelen van het Engelsche hof, maar ook met
‘quis quis in arte sua solers excelluit’, met ieder, die in kunst of wetenschap uitmuntte,
maakte hij in Engeland kennis, en konden zij hem als Nederlandsch poëet ook niet
waardeeren, door zijne Latijnsche, Fransche en Italiaansche gedichten kon hij hun
ten minste bewijzen, dat hij in dien uitgelezen kring niet misplaatst was. In zijn eigen
vaderland vond hij bewonderende aanmoediging en vriendschap bij de toenmalige
toongevers der poëzie: te Leiden bij Heinsius, te Dordrecht bij Cats, te Amsterdam
bij Hooft. Een weinig ijdelheid mag men den zevenentwintigjarigen jongen man, die
zooveel onderscheiding grootendeels aan eigen verdiensten kon dank weten, wel
ten goede houden; terwijl de gemeenzame omgang met mannen, die tien tot vijftien
jaar ouder waren dan hij, hem allicht moest verleiden, bij voorkeur eenen toon aan
te slaan en onderwerpen te behandelen, waarvoor hij eigenlijk te jong was.
Aan Huygens' oorspronkelijkheid wil ik daarmee niet te kort doen. Wie niet
kinderachtig jacht maakt op oorspronkelijkheid, gevoelt onwillekeurig den invloed
van zijne omgeving. De neiging tot leeren en vermanen, de liefhebberij om gebruik
te maken van de opgegaarde kennis, de zwakheid om aan zijn dichtpaard de teugels
te vieren, ook al ‘ontliep het de toomen’, kon hij met het voorbeeld van Cats
verdedigen. Mythologische sieraden en toespelingen, willekeurig omgesmede en
samengekoppelde woorden, Latinismen en Gallicismen kon hij bij Heinsius in menigte
vinden; en in gedrongenheid van zinsbouw, woord- en vernuftsspelingen was Hooft
zijn leermeester. Overigens kon ook de buitenlandsche modepoëzie zijns tijds wel
niet nalaten, invloed op hem te oefenen. De Ronsardismen van de jongere
vertegenwoordigers der reeds ten val neigende Fransche dichtschool, en de
Marinismen der Italiaansche poëzie, die in Engeland (zelfs bij Shakespeare) zoo
welig tierden, moesten hem nog meer dan Hooft aantrekken, omdat hij meer van
sterk gekruide, dan van fijne spijzen hield, en den kieschen smaak van Hooft miste,
die tegen te groote vernuftsoverdrijving beveiligde.
Van John Donne behoefde Huygens zijnen dichttrant niet te leeren, ik geef het
den Heer Eijmael gaaf toe. Vóór hij Donne kende had hij reeds diens trant van hunne
gemeenschappelijke voorgangers afgezien; maar wèl moest zijne bewondering van
Donne hem stijven in zijne karakteristieke hebbelijkheden, zijn spelen met verwante
klanken en schakeeringen van woordbeteekenissen, half uitgewerkte vergelijkingen
en vernuftig ingekleede of half verscholen geestigheden. Aan Donne's voorbeeld
in 't bijzonder ontleende hij misschien de vrijmoedigheid om zich platter en onkiescher
uit te drukken, dan Hooft of zelfs Cats durfden te doen. In ‘een goed predikant’ schrijf
ik vs. 31, in
Taal en Letteren. Jaargang 2
Commenti su questo manuale