78
verschillenden aard zijn. Om dit duidelijk te maken, willen wij van een voorbeeld uit
elke groep telkens het tweede lid vervangen door een' ontkennenden bijzin.
Wij krijgen dan achtereenvolgens:
1. Daar was groot noch klein,
die niet naar de vensters liep
(bijvoegl. bijzin).
2. Wij lieten ons nooit iemand ontgaan,
terwijl wij hem geen leed deden
(bijzin
van omstandigheid).
3. Daar is niemand zoo arm onder de dienaren,
dat hem niet dunkt
, enz. (bijzin
van gevolg).
4. Niet lang bleef hij daar,
terwijl de stad niet werd overgegeven
(bijzin van tijd).
6. Het mag niet zijn,
dat gij den Heere niet zult eeren
(onderw. zin).
1)
Met de voorbeelden uit groep 5 en 7 is het anders gesteld. Hier kunnen wij het
tweede lid alleen vervangen door een' bevestigenden bijzin.
5. Er ontbrak niet veel daaraan,
dat mij eene jonkvrouw bedrogen hadde
(oorz.
voorwerpszin).
7. Er is geen twijfel daaraan,
dat hij goed en getrouw is
(oorz. voorwerpszin).
Hoe is dit laatste verschijnsel te verklaren? Naar wij meenen, hebben de zinnen in
deze beide groepen hun ontstaan te danken aan eene onwillekeurige verbinding
van twee gedachten, waarvan de eene wel, de andere niet de ontkenning vorderde.
Een bekend voorbeeld daarvan, dat voorheen meermalen in de schrijftaal en thans
nog wel bij onnauwkeurige sprekers voorkomt, vinden we in een' zin als dezen:
Hij
verbood ons
,
dat wij daar niet heen zouden gaan
. Zulk een zin ontstaat door de
onwillekeurige combinatie van deze twee gedachten:
Hij verbood ons
, dat we daar
heen zouden gaan en: Hij beval ons,
dat wij daar niet heen zouden gaan
. Evenzoo
kunnen de gevallen van groep 5 en 7 toe te schrijven zijn aan de combinatie van:
Er ontbrak weinig daaraan
, dat mij eene jonkvrouw bedrogen hadde en: Eene
kleinigheid was oorzaak,
dat mij eene jonkvrouw niet bedroog. Er is geen twijfel
daaraan
, dat hij goed en getrouw is en: Niemand is van meening,
dat hij niet goed
en getrouw is
.
Het mag nu den lezer vreemd dunken, dat er zooveel verschillende betrekkingen,
als wij tusschen de beide leden der beschouwde volzinnen opmerkten, konden
bestaan, zonder dat men ze door verschillende betrekkingswoorden uitdrukte, doch
men bedenke, dat deze soorten van zinnen ontstaan zijn in een' tijd, toen men nog
zeer weinig grammatische
1) Gelijk men ziet, ontbreken hier de woorden
anders
of
beter
. Daardoor is de opvatting eenigszins
anders, dan die bij groep 6 op pag. 76.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Commenti su questo manuale