361
kenis veranderd: drenken uit ‘drank-jan’ (got. dragkjan, oudhoogd. drenken). -
zenden uit ‘sand-jan’. - kwellen uit ‘kwal-jan’, (kwelen is ‘pijn lijden’, nog
middelnederl. en XVII
e
eeuwsch: Statenbijbel, Cats o.a.). - zetten uit ‘sat-jan’. -
leggen uit ‘lag-jan’. - wenden uit ‘wand-jan’. - klooven uit ‘klauv-jan’. -
zoogen uit ‘saug-jan’. - leiden nit ‘laid-jan’. - (ge)neren uit ‘(ga)nazjan’. -
voeren uit ‘fôr-jan’. - leeren uit ‘lais-jan’ (een heel mooi causativum, nú nog!) -
neigen uit ‘naig-jan’. - steigen uit ‘staig-jan’. - sprengen (= sprenkelen) uit
‘sprang-jan’. - (ge)hengen uit ‘(ga)hang-jan’. - vellen uit ‘fal-jan’. - wekken
uit ‘wak-jan’.
Of deze stam niet vaak een substantivum was? En dus deze zoogenoemde
causatieven eigenlijk denominatieven? Ongetwijfeld. Maar wie zal dit nú uitmaken?
Hoe men díe verba indertijd in verband voelde met substantiva, die er in elk geval
vaak naast stonden, en met de werkwoorden, waar ze in causatieve verhouding
mee stonden; wie zal dat nu nog aangeven? De beteekenis van zoo'n er naast
staand substantief influenceerde er natuurlijk wel op. Ook kan 't substantief gevormd
wezen uit het causativum. En dan is er wel nog analogieformatie ook; 't is dus niet
zeker dat de aangegeven grondvormen altijd bestaan hebben: niet alle zijn in de
verwante talen gevonden.
Waar nu in 't praeteritum van verba, die met deze causativa samenhangen, de
sterke stam een eigen vorm had, en deze b.v. tot in 't middelnederlandsch (hij drank),
of zelfs in 't nieuwnederlandsch bleef (hij zoog); daar kan men beweren dat die verba
van den verleden tijd enkelvoud zijn afgeleid; maar voor andere verba, als ‘vellen’,
‘gehengen’, ‘wekken’, moet men dan weer naar een andere overeenkomst uitkijken.
En 't is en blijft onjuist.
Evenmin als het substantivum ‘drank’ gevormd is van het praeteritum, en even
weinig in beteekenis daarmee samenhangt, even zoo min is ‘drenken’ van ‘(ik) drank’
gevormd.
Wel staan ze met elkaar in verband; maar net zoo is er verband tusschen ‘stok’
en ‘staak’, ‘staketsel’ en ‘steken’.
Met het suffix ‘-jan’, maar met een ander accent, werden intensieven gevormd, en
wel van den zwakken stam: zoo bukken met i- umlaut uit ‘bog-jan’, van bŭg-,
waarvan de sterke stam in (ik) boog, de middelstam in hd. ‘biegen’ zit. - hikken
uit ‘hig-jan, bij ‘hijgen’ met den middelstam. - knippen uit ‘knip-jan’ naast ‘knijpen’.
-
Taal en Letteren. Jaargang 2
Commenti su questo manuale