55
der onderschikking in
of
veranderd kan worden? Bladz. 23 doet ons vragen: is
erinneren
van
innen?
Zal men niet aan willekeur bij Potgieter denken, als men van
het Praet.
pleeg
leest: ‘pleeg is hier gebruikt voor plag in den onvolt. verl. tijd’? Mag
men bij
nochte
van een paragogische
t
spreken? Op bladz. 28 zal niet ieder studioos
er aan denken dat met ‘voorwerp van doel’ het oorzakelijk voorw. bedoeld wordt.
Bij ‘laaije vlam’ had iets opgemerkt gemoeten over den overgang van
laaie
tot een
andere woordsoort: zóó bevalt de aanteekening ons niet. Is de
s
in ‘tot
zwaaiens
toe’ de adverbiale? (38). Onjuist zijn, dunkt ons, blijkens de ontleding pag. 50, de
regels uit
Bronbeek
4 opgevat: ‘'t Is reiner weelde etc.’; de verklaring van ‘'t Is, God
gelijk etc.’ moet zich dan mede wijzigen (51); ook de behandeling van ‘God gelijk’
kon, lijkt ons, beter. Wij treffen hierin een staaltje aan van taaloefening ná de
paraphrase, die had moeten voorafgaan: zóó ook elders. Wijst
ook
in toegevende
zinnen op een
veronderstelling
(62)? Op bladz. 68 schijnt ons de aanteekening met
het woord
af
niet in orde, en dat
aangenaam
met een object in beteekenis verschilt
van
aangenaam
zonder object zien wij althans niet in. Hetgeen pag. 75 over ‘nijgen’
en ‘neigen’ te berde gebracht is, kan slechts verbijsteren. Op de volgende bladzijde
begrijpen wij niet waarom ‘vreemden’ in ‘'t geen
vreemden
broeders maakt’ geen
lijdend voorwerp zijn zou. Vraag 6 over De Génestets
Verandering
had de auteur
behooren te beantwoorden, en zij ware dan uitstekend geweest. Vraag 7
a
bladz.
87 is een onbillijkheid: zóó heeft de dichter het wel niet bedoeld. Bij
ader
(93) missen
wij eene aanteekening. De redeneering over ‘Vondels voedstervader’ is verward
(94). Iets over den Milaanschen en den Atheenschen Popel en die Luim (96) zou
niet overbodig geacht zijn. Over het zinsverband in strophe I
Aan mijne Dennen
hadden wij
den schrijver
gaarne gehoord (101). Vragen als op 103: ‘Is de volzin
Wij
hongeren en dorsten naar de gerechtigheid
spraakkunstig niet zuiver?’ klinken
verbijsterend:
dit onzekerheid-verwekken ligt in des schrijvers
manier
. Waarom
Staring
gebeenten
voor
gebeente
schrijft (107), dat verwacht de leerling van zijn
leeraar
verklaard
te zien. Dit geldt ook, 122, de vraag over ‘ontvlucht’, ‘ontvliedt’,
‘ontwijkt’. Dat wij eerst op 138 iets over Haesje Claesd. vernemen, terwijl het bekende
gedicht op 118 reeds aan de orde gesteld werd, zal men vreemd vinden; iets meer
over haar zou menigeen welkom zijn. Of de woordafleiding bij de verklaring van
‘vooroordeel’ helpen kan? Hier liggen voor den ongeoefende voetangels en klemmen!
(146). De afleiding der huidige beteekenis van ‘genie’ uit de oorspronkelijke is
belangwekkend genoeg, maar men had ze hier gaarne
uit het boek
vernomen (150).
Onze aandacht heeft het gaande gemaakt, dat de term
bepaling van gesteldheid
op bladz. 151 en elders blijkbaar vermeden is. Bij ‘En, huichelaarster! als gij laster
spuwt en logen, etc.’ had het boek het woord moeten nemen (153). Voortreffelijk
keuren wij vragen als op bladz. 161 over ‘hechtte’ en ‘richtte’: wederom echter
moeten wij het uiten, dat het
antwoord
hier niet had mogen ontbreken. Is het,
eindelijk, niet beter,
Taal en Letteren. Jaargang 2
Commenti su questo manuale