24
Voorloopig zijn wij nog niet zoo ver,
1)
schoon hier en daar reeds eenig licht is
ontstoken. Zoo heeft men gewezen:
1
o
. Op het feit, dat in een vroegere periode onzer taal een overgroot aantal zoo
sterke als zwakke vrouwelijke substantieven uitging op een toonlooze
e
, waardoor
men er als van zelf toe kwam, den uitgang -
e
te beschouwen als kenmerkend voor
vrouwelijke woorden. Vandaar dat mannelijke en onzijdige zelfstandige naamwoorden
op -
e
veelal vrouwelijk werden, of althans ook vrouwelijk konden worden gebezigd.
Zoo was het b.v. met de mannelijke
i
-stammen:
beke
,
bete
,
broke
,
grepe
,
hate
,
hoghe
,
core
,
sale
,
scade
(schaduw),
scote
,
sede
,
seghe
,
snede
,
steke
,
toghe
,
vloghe
,
vrede
en de oorspr. zwakke
balke
,
boge
,
galge
,
haghe
,
kraghe
,
koude
,
maghe
,
mane
,
name
,
navele
,
necke
,
rieme
,
scade
,
smake
,
sterre
,
vane
,
wille
; zoo ook met de onzijdige
beelde
,
ellende
,
kinne
,
cruce
,
kudde
,
kunne
,
orconde
,
spere
.
2
o
. Op den vrouwelijken tweede-naamvalsuitgang
s
, in 't Gotisch heel gewoon en
in 't Oudnederlandsch voorkomende bij enkele
i
-stammen (
weroldes
,
kraftes
,
kustes
,
giburdies
). In 't Middelnederlandsch zijn (zoo neemt men aan),
2)
een groot aantal
van die vrouwelijke genitieven op -
s
bewaard gebleven. Tengevolge nu van die -
s
begon men vele vrouwelijke woorden voor mannelijk of onzijdig aan te zien. De
volgende vrouwelijke
i
-stammen gingen daardoor over tot het mannel. geslacht, of
konden althans mannelijk worden gebruikt:
aendacht
,
aex
,
anxt
,
arbeit
,
bank
,
borch
,
borst
,
bruloft
,
daet
,
nootdorft
,
doecht
,
overdracht
,
ducht
,
geit
,
wedergeboert
,
gift
,
gracht
,
hant
,
huut
,
coomst
,
afcoemst
,
toecoemst
,
const
,
cracht
,
last
,
macht
,
melk
,
nacht
,
noet
,
scout
,
spoet
,
tijt
,
heervaert
,
welvaert
,
vlucht
,
vuust
,
want
,
werelt
en samenstellingen met -
heit
.
3)
Naar het onzijdige
verliepen
borch
,
misdaet
,
overdaet
,
graft
,
geboirte
,
scrift
,
hoechtijt
.
Het feit, dat aan verscheiden zelfstandige naamwoorden twee geslachten werden
toegekend, was zeker de oorzaak van een merkwaardig verschijnsel, waarop prof.
van Helten onlangs de aandacht vestigde:
4)
in de tweede helft der 15
e
eeuw,
sporadisch ook in de oudere periode, wordt nu en dan
si
of
se
gebruikt ‘met
betrekking tot een mann. zaaknaam’. B.v. ‘Alsoe en was in egypten gheen afgod,
si
en viel’. (
Dat leven o. heren
, ms. M.v. Lett. n
o
. 258, 25 r.) ‘Christoffel nam sijn
stoe
in sijn hant ende staecse in die rivier’. (
Passionael Somerst
. 97 v.) ‘Hoe geloefdi
uwen aexter so veel? Nu moechdi horen wat
si
seit.’ (
Van die seven vroede van
roemen
25 r.) Enz.
De onzekerheid, die langzamerhand begon te heerschen, werd nog veel grooter
door het verwarren der naamvallen, hetwelk zich reeds begint te ver-
1) Het uitvoerigst is over de zaak gehandeld door prof. van Helten in zijn
MNed. Spraakk
. en in
verschillende opstellen in 't
Tijdschr. der Maatsch. v. Ned. Letterk
. (voorn. II, 39 vgg.).
2)
De mogelijkheid, dat die -
s
, onafhankelijk van de zoo zeldzame Oudnederl. vrouw. 2
e
nvls.
-
s
is ingedrongen, mag m.i. niet buitengesloten worden.
3) Zie v. Helten,
MNed. Spraakk
. bl. 351.
4)
Tijdschr
. X, 210 en 211.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Commenti su questo manuale