223
vs. 8.
prij
, scheldnaam voor een wijf, eigenlijk ‘kreng.’
vs. 12.
jeukt
. Neptunus gevoelt lust, met zijn' staf, den drietand, het scheepsvolk
de oneerbiedige woorden betaald te zetten. Wat jeukt, kan zich niet stilhouden: het
wil in beweging zijn. Zoo zegt men: mijne hand jeukte, om hem eene oorvijg te
geven; de pen jeukte in mijne vingers, om daar iets over te schrijven, enz.
vs. 14.
buitengaats:
in zee, eig. buiten het (zee)gat. Over den genitiefvorm zie
men de Spraakkunst.
vs. 15.
lucht en zee zien slingeren;
dit geschiedt bij een' hevigen storm. Door de
geweldige slingeringen van het schip schijnen de zee en de lucht die bewegingen
te maken. Neptunus bedreigt dus het scheepsvolk met storm en hooge zeeën. vs.
16.
Neptuin
is vocatief.
vs. 18.
schuinkijken:
boos, barsch kijken. Nog zegt men in dezelfde bet.: ‘een
schuinen of schuinschen blik op iemand werpen.’
vs. 19.
in zijn tuin
, ook:
in zijn knollentuin
zijn: ‘goed gemutst zijn.’
vs. 20.
Het Amsterdamsche Santjen
, de schutsheilige, de patroon der
Amsterdammers; dit was Sint-Nicolaas.
vs. 22.
mogen zetten:
‘mogen lijden’.
vs. 26.
hartig
, het tegengestelde van
flauw:
hartige en flauwe kost. Het Wilhelmus
prikkelt tot daden van kloekheid, wakkerheid.
vs. 29.
hiet: heet
, naar de Holl. volkstaal.
vs. 32.
mijn kachjens:
‘mijne koene jongens’, de zeelui;
een hachje
is ‘een durf-al.’
vs. 38.
kletserig;
vgl.
kletsnat
, zoo nat, dat de kleeren klinken, wanneer men er
tegen slaat.
vs. 39.
staken
, hier intrans. gebruik: ‘ophouden.’
vs. 41.
poen:
‘geld.’ Volgens Franck en Vercoullie,
Et. Wdb.
een Bargoensch
woord.
vs. 44.
't zog:
het kielzog, de witte streep van schuim, die een varend schip door
de zuiging achterlaat. Zoo wordt
zog
‘vaarwater’ Vgl. Tollens: ‘Reeds wendde
Houtmans kiel.. door 't zog des Portugees naar Bantams ree den steven.’ Ook fig.:
in iemands zog komen
‘in iemands vaarwater komen.’
vs. 46.
ruig:
het scheepsvolk was sterk behaard, een teeken van stoerheid.
Haar
op de tanden hebben:
‘alles aandurven, voor geen klein geruchtje vervaard zijn.’ P.
zegt:
tot op de tanden:
zelfs de tanden zijn harig. Misschien heeft de dichter daarmee
wel den oorspronkelijken vorm der zegswijze gegeven. Als zelfs de tanden behaard
waren, dan zou men stellig niet aan de forschheid behoeven te twijfelen.
vs. 136.
Aêloudheid
, hetzelfde woord als
aloudheid
van
aal
, een ouden bijvorm van
al
. Men heeft wel gemeend, in dit
aal
eene samentrekking
Taal en Letteren. Jaargang 2
Commenti su questo manuale