111
vordert reeds zulk een jammerlijke krachtsverspilling. Reeds is het een slag in het
aangezicht jegens die Oude Wijsheid:
non multa. Wezenlijk
gedijen doet slechts
geconcentreerde studie. Welk een vooruitzicht, zoo onze onderwijzers metterdaad
het Alles in Alles voortaan in toepassing gingen brengen! Bij ons is de vraag gerezen,
wat den schrijver op het nieuwe denkbeeld gebracht mag hebben. Heeft hij wellicht
de studie van het Nederlandsch, die zoo droog heet, die veeltijds zoo droog
is
, die
op zal houden
het te zijn, zoo spoedig nieuwe beginselen zullen gezegevierd hebben
en een nieuwe methode met nieuwe oefenboeken in zwang gebracht, - heeft de
schrijver die studie door
variatie
willen
veraangenamen?
Onloochenbaar streven
naar variatie: Ziedaar de fout van zijn boek. Aangenaam willen wij het noemen.
Doch wij weigeren te erkennen, dat het eene methode bevat.
Ruimen lof moet men hebben voor die laatste capita. Hier heeft de leeraar veelal
het woord en hij spaart zich geen moeite. Een goed studiewerk schrijven dit blijkt
wel, is geen ding om op zijn gemak en zoo maar losjes weg te doen. Ook is hier
methode. Een gehéél boek in den trant van het hoofdstuk Da Costa! - en wij zullen
van een twééde teeken van beter dag spreken, - mits in de interpretatie slechts
tevens zulk eene mate van meesterschap doorblinke, dat wij voor de navolging van
brekebeenen bewaard blijven! Het behoeft nauwelijks herhaald, dat ook elders in
de
Examen-Studiën
verdienstelijke bladzijden te vinden zijn. Wat er ons, behalve
de vermenging van taal- en letterkunde, behalve het chaotische van het geheel (iets
waarin de
oefeningen
hier te zeer op de gewraakte examenopgaven gelijken!), wat
er ons bovendien niet goed wilde dunken, gaven wij grootendeels reeds te kennen.
De lezer kan in ons overzicht hebben opgemerkt, dat het boek zeer weinig gemeen
heeft met die derde soort, door den
Taalcursus
vertegenwoordigd, weinig met het
ideale Oefenboek dat wij ons hebben voorgespiegeld. Ook zitten de examinatoren
en de ‘deskundigen’ (vgl. pag. 95) hier te vlak voor onzen neus. Niet ongaarne praat
de heer Koenen eens, maar de leeraar wordt er te dikwijls gemist, wanneer men
hem 't meest noodig heeft.
Wij besluiten met nog op enkele dingen te wijzen, die misschien anders konden.
Op bladz. 33 staat: ‘over den smaak valt niet te twisten’: beteekent dit nog iets meer
dan: het is onverstandig met
iedereen
en
onder alle omstandigheden
over den
smaak te twisten? Zoo democratisch zal de tijd niet worden, dat er geen
bevoorrechten zouden blijven wien deze stelling een democratische gruwel is. Op
pag. 66 verneemt men, dat
Ik zie het paard den ploeg trekken
een
uitheemsche
vorm zou zijn, en aan deze bewering wordt dan eene redeneering over de ontleding
vastgeknoopt: weet de heer Koenen zeker, dat hij de zaak bij het rechte eind heeft?
Een aantal zinnen met het praedicatieve
mijne
en
mijn
(57-68) worden den leerling
voorgelegd met het verzoek de woordsoort dezer vormen te bepalen; de vraag luidt
bovendien zoo, alsof men
mijne
en
mijn
zonder bezwaar voor een mag houden:
ons lijkt deze
questie
nog al moeielijk: men legge haar liever voor aan de
taalgeleerden.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Commenti su questo manuale