294
schouwelijk. -
Eerlang
is ‘weldra’
1)
. -
Ontbrak:
geeft dit eene andere voorstelling dan
‘ontbreekt’? En staat dit ook in verband met hetgeen voorafgaat en nog volgt? De
honger is niet in 't verschiet, maar zij hongert reeds. Zij is geheel àf: vandaar de
tegenstelling tusschen
dubbel klemmend weegt de last haar onder 't hart
en den
inhoud van den volgenden bijvoeglijken zin. Met liefde had zij den last in de
moederschoot getorst; nu wordt het te zwaar.
Klemmen
is synoniem van persen,
knellen, nijpen. Vgl. Hecker:
Mijn borst
,
in klemmende angst genepen
,
zwoegt:
Dichterl. Mengelw. 1836, bladz. 47.
Weegt:
‘wegen’ kan, behalve ‘zwaar zijn’, ook
beteekenen: ‘zijn zwaarte doen
gevoelen
’: zoo hier; vgl. b.v. ‘Zwaar woog de
koningskroon hem op het hoofd’; deze beteekenis brengt mede, dat het werkwoord
dan gewoonlijk een persoonlijken derden naamv. bij zich heeft: waarom? -
Zoo
onbedacht naast Sara
zijn bepalingen bij
dorst roem dragen:
de beteekenis die dat
‘roem dragen’ had, komt daarin uit;
naast Sara:
zij stelde zich in een gevoel van
meerderheid en bevoorrecht-zijn als met de meesteres
gelijk
. Dat het onderwerp
niet
Hagar
, maar
haar blik
is, moet daarbij niet als iets foutiefs of als een dichterlijke
aanmatiging beschouwd worden: wij zien, mèt dien blik, haar-zelve en de
onbedachtzame trots ligt in dien blik.
31-38.
Verwatene!:
oorspronkelijk is ‘verwaten’ het verl. deelw. van het ww.
verwaten
,
verwiet
(als slapen, sliep, geslapen), dat beteekende: uitbannen,
excommuniceeren, uit de gemeenschap der kerk stooten. Hier zoù het woord zijn
tegenwoordige beteekenis kunnen bezitten in verband met den voorafgeganen
regel. Maar het vervolg maakt het wel waarschijnlijk, dat
verwatene
= verstootene,
smadelijk verworpene is. Archaïsmen zijn bij Da Costa niet zeldzaam, doch wij
herinneren ons niet, of de dichter
verwaten
elders zoo gebruikt; dit te weten zou
hier van groot belang zijn. - Bij dat ‘tent’ bedenke men, dat Abraham een nomaden-
of herdersvorst is.
De tweede strophe bestaat uit twee helften: de schildering van Hagar, die daar
heendwaalt in donkerheid (21-30) en de toeroep die plotseling een licht over haar
weg doet stralen (31-38). In dat
De tent van Abraham etc
. hooren wij als de echo
van Hagars vertwijfelend antwoord op die vraag: ‘Gij weet dat ik een verwatene ben,
waar zàl ik een schuiloord vinden!’ Maar op dat antwoord klinkt het: ‘Ik wèèt dat die
tent u heeft uitgeworpen, - en evenwel, kèèr terug.’ Het is vermaning en raadgeving.
Het is gèèn vermaning, het is een innige wensch, als hij voortgaat: ‘
en dat zich
(
dan
)
uw hart etc
.’ = ‘och, dat gij u kont vernederen.’
Voor God:
‘gij moogt het doen, want
het zal geen vernedering voor Sara, maar voor Jehova-zelven zijn.’ Geen redeneering
zou in staat zijn Hagar tot wederkeeren te bewegen: de maat van haar ongeluk
schijnt vol: daarom juist echter zal zij vatbaar zijn voor
overreding
, zal zij gevoelig
zijn voor een zachtmoedig woord, vol
1) De bepaling
eerlang geleêgd
staat volstrekt niet, zooals de heer Schelts van Kloosterhuis
aanmerkt, op een verkeerde plaats.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Commenti su questo manuale