280
voorwerpszinnen; wij krijgen dan:
ik laat
(d.i.
laat toe
of
veroorzaak
),
dat de dokter
mijne pols voelt
,
dat de dokter mijne tong ziet
.
Die verkeerde beschouwing heeft geleid tot het gebruik van het voorzetsel
aan
,
waar we werkelijk niets hebben dan een zuiver lijdend voorwerp; zoo zegt men
soms:
iets aan een ander laten zien;
zoo zingt Helmers:
Waarom
,
barbaren! doet
ge een ijzeren keten dragen Aan wezens
,
even vrij als gij?
Zulke uitdrukkingen
zouden, met het oog op de beteekenis van
laten
en
doen
, af te keuren zijn; wat
echter meer gebeurt, geschiedt ook hier. Eene eigenlijk onjuiste uitdrukking blijft
soms naast de juiste bestaan, terwijl het taalgebruik dan aan ieder eene bijzondere
opvatting der beteekenis toekent. Zoo zou men, met:
iemand
(4)
iets
(4)
laten zien
kunnen uitdrukken dat de aandacht van den persoon op het voorwerp werd gericht,
terwijl men om meer te kennen te geven, dat het voorwerp onder de aandacht van
den persoon gebracht wordt, de uitdrukking
iets
(4)
aan iemand laten zien
zou
kunnen gebruiken.
Uit deze redeneering blijkt ook ten duidelijkste, dat
laten
in zulke voorbeelden niet
tot de hulpwerkwoorden kan worden gerekend. De gelijkluidendheid van dit
werkwoord
laten
en het bekende hulpwerkwoord, dat dient om van andere
werkwoorden de ontbrekende vormen van de gebiedende wijs te vormen of de
aanvoegende wijs te omschrijven, geeft menigmaal aanleiding tot verwarring, vooral
indien het concrete werkwoord
laten
in de gebiedende wijs gebruikt wordt; die
verwarring vindt men daar, waar zelfs schrijvers geen onderscheid maken tusschen
de uitdrukkingen
laat ons zingen
en
laten wij zingen
. In de eerste uitdrukking hebben
we den 2
en
persoon der gebiedende wijs van het concrete, objectieve, transitieve
werkwoord
laten
, dat
toelaten
of
veroorzaken
beteekent;
ons
is het lijdende voorwerp,
waarbij het werkwoord
zingen
praedicaatswoord is; de beteekenis is dan:
laat
(d.i.
laat toe
of
veroorzaak
)
dat wij zingen
. De tweede uitdrukking is in haar geheel de
1
e
persoon meervoud van de gebiedende wijs van het werkwoord
zingen
, waarbij
het hulpwerkwoord van wijze
laten
gebruikt wordt. De Fransche imperatiefvorm
chantons
moet dus vertaald worden door
zingen wij
of
laten wij zingen
, maar niet
door
laat ons zingen
.
Een paar voorbeelden, hoe zelfs zeer goede schrijvers, waar het hulpwerkwoord
van wijze
laten
(natuurlijk gevolgd door een nominatief) gebruikt moet worden, zich
bedienen van het transitieve werkwoord
laten
, gevolgd door een accusatief met
praedicaatswoord, zijn:
Laat den heer Veere zijn
,
wat hij wil
,
dat doet er niets toe
.
(Mevr. Bosboom-Toussaint.)
Laat ons het proza bewerken: de echte poëzie zelf zal
er bij winnen
(Geel). In dit laatste voorbeeld staat:
Laat toe
,
of veroorzaak
,
dat wij
het proza bewerken;
terwijl de schrijver bedoelt:
Bewerken wij het proza
, of
Laten
wij het proza bewerken
. Dat gebruik is reeds zoo oud, en komt zoo veelvuldig voor,
dat men, met het oog op het taalgebruik, het nauwlijks meer zou kunnen afkeuren.
Wanneer we echter eene poging aanwenden, om de betrekkingen tusschen
zinsdeelen ons duidelijk
Taal en Letteren. Jaargang 2
Commenti su questo manuale