217
geschilderd als geheel door het schitterende zonnelicht overdekt. Wegens de kleur
wordt dat licht nu als een stroom van goud opgevat.
vs. 2.
heerschers:
vorsten wegens hunne grootte. De kamferboom is een hooge,
sierlijke, lindeachtige boom, terwijl de peper
struik
slechts een heester is. Aaugaande
het
oobarhout
vonden wij vermeld: ‘
Oebar
of
Sapi-oebar
is eene roode houtsoort,
die evenals de wortel door de inlanders (van Sumatra) gebruikt wordt tot het tanen
der vischnetten’
1)
. De zonnestralen schenen dus van de hoogste toppen, over de
lagere, te glijden naar hetgeen zich aan den voet van 't woud bevond: de beek en
het mos.
vs. 7.
den lichtvorst
. De zon is in de poëzie meermalen m. Het is de
Phoebus-Apollo der Grieken, die 's avonds in den schoot der baren duikt of, naar
Potgieters voorstelling, der zee in de armen zinkt. Zoo wordt de oceaan eene bruid
en het ruischen der golven de verliefde zuchten der wachtende.
vs. 9.
gedwee:
onderworpen, gehoorzaam. Of hier de dwang van het rijm in het
spel is? De bruid wacht haren bruidegom met open armen, met verlangen. Maar
die toestand heet niet ‘gedweeheid.’
vs. 17.
't roode hol
, dat door de stralen der ondergaande zon rood gekleurd was.
bronstig:
minziek, geneigd tot paren; vgl.
bronsttijd:
paartijd. Het woord is van
bronst
,
dat etymologisch met
branden
samenhangt en dan ook oorspronkelijk ‘brand, gloed’
beteekent. Men lette op het min edele
lief
tegenover het voorname
gemalinne
in vs.
20.
vs. 19.
van drift gewiekte voeten;
't is of zijne voeten vleugels aangeschoten
hebben, zoo vlug loopt het anders logge dier. Potgieter onderscheidt
drift
en
tocht:
het eerste is de louter zinnelijke, het laatste de geestelijke zijde der liefde. In het
Rijksmuseum
zegt hij, sprekende over een portret van Cats: ‘Een blik op de schilderij
voor ons, en gij verbaast er u niet langer over, dat zijne liefde meer van drift dan
van tocht had, zoo ge met ons het laatste woord de uitdrukking acht, welke voor
iets hoogers dan instinct past.’
vs. 21.
liefdespellen
. Het Middelned. kende reeds in deze beteekenis het woord
minnespel
. Is
spelen
naar het tegenwoordig taalgebruik niet juister dan
spellen?
vs. 22.
des echts:
in den avondstond paart zich de dag aan, vereenigt hij zich met
den nacht.
vs. 23.
voedde:
koesterde; vgl. verwachting, hoop, wrok, haat, nijd,
voeden
en
koesteren
. De beeldspraak is ontleend aan de moeder, die het kind, welks leven
haar dierbaar is, beurtelings voedt en koestert. Hoe laat zich nu echter de uitdrukking:
vrees voeden
,
koesteren
verklaren? Men denke ook aan het verschil tusschen
driften
in dezen en
drift
in regel 19.
1) Miquel,
Flora van Ned. Indië. Sumatra
, p. 101.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Commenti su questo manuale