157
bij kunst zoo dikwijls van inhoud en vorm als van twee op zich zelf staande, goed
gescheiden begrippen. En toch is niets minder juist dan dat. Een kunstenaar zou
het nooit toegeven. Wat spreekt gij van inhoud en vorm, zou hij zeggen. Meent gij,
dat ik eerst iets denk en daarna voor de gedachte een' vorm zoek? Gedachte en
kleed zijn één. Eene andere gedachte, een ander kleed. En omgekeerd. De kinderen
van onzen geest komen niet, als volgens het oude volksgeloof de jongen der beren,
vormeloos ter wereld. En zoo gij soms een vader bezig ziet, met ze al likkende nog
een weinig te fatsoeneeren, zoo wijst dat tot eigenlijk slechts daarop, dat hij slordig
heeft gedacht en nu alles nog eens langzamer overdenkt. ‘Het kind is dood, -
overleden, - heengegaan, - heeft den laatsten adem uitgeblazen, het is er geweest,
is het hoekje om’ enz., dat zijn niet enkel verschillende vormen, dat zijn ook
verschillende gedachten, die slechts voor den oppervlakkigen waarnemer gelijk zijn.
Ze gelijken op elkaar, dat is waar, maar zooals een Arabische volbloed en een oude
knol op elkaar gelijken. Noemt men beide ook met denzelfden naam, dan vergete
men toch niet, dat een paard en een paard twee is. In hoofdzaak, ja, komen ze
overeen, maar gelijk?
Vergeven wij den kunstenaar zijne overdrijvende verontwaardiging en onthouden
wij het, dat als we meteen vormen gaan bekijken, die kenmerkend zijn voor den
dichter, dit slechts doen om in die vormen de fijnere schakeeringen van eens dichters
gedachten op te sporen.
De eerste zin dan: ‘Verhuld in 't kleed’ enz. Verhuld, niet gehuld: wij moeten
er aan denken, dat het omhullende kleed den drager onkenbaar maakt; men ziet in
hem niet, wat hij - voor Da Costa altijd - is: een engel. Hij is verkleed, vermomd,
verhuld. - Zie nog een ander woord, dat goed gekozen is. Gij en ik zouden
misschien gezegd hebben: Hij trad een huis binnen, waar vrome menschen woonden.
De dichter zegt het korter, ongewoner en daardoor krachtiger, waar hij spreekt van
eene godgeliefde woning.
Doch zorgen wij, dat de enkele boomen ons het gezicht op het bosch niet
benemen, en zien wij naar den geheelen zin. Hoe aanschouwelijk wordt de gedachte
door die personificatie. De hemelsche genade, die aan kind en ouders ten deel valt,
terwijl zij slechts ziekte en leed gevoelen, is een vermomde bode des lichts geworden,
dien we als met onze oogen kunnen zien en als met onze handen kunnen tasten.
Daar gaat hij voor ons uit, eene sombere gestalte in zwarten mantel, met nauw
hoorbaren tred. Waarheen? Daar gaat hij eene woning binnen; vergist hij zich ook?
Denkelijk niet, want op 't laatste oogenblik herkennen wij hem: dáár is de engel
terecht.
Phantaseer ik, beweert gij? Toch niet: Lees maar zelf den zin, hardop, dat wil
zeggen: zachtjes, met gedempte stem, zooals ik mij voorstel, dat de dichter zou
gedaan hebben, als hij gesproken en niet geschreven had. Goethe had wel gelijk:
‘Schreiben ist ein Miszbrauch der Sprache’, want den toon, die volgens eene
Fransche gemeenplaats de muziek eerst tot muziek maakt, geeft het niet weer,
duidt er zelfs haast niets van aan. Lees maar zelf:
Taal en Letteren. Jaargang 2
Commenti su questo manuale