165
beduidend voor den volksgeest; en het gaat met die namen als met zekere termen
uit den gewonen woordenschat, welke langzaam verloren gaan onder de concurrentie
van pittiger termen, rijker aan kleur en uitdrukking, of die krachtiger spreken tot het
verstand of de verbeelding. Het pittige, dát is het juist wat het volk in zijn
taalvervormingen beoogt, en dat is ook het karakter waaronder zich de in scherts
aangewende eigennamen voordoen.
In alle talen zijn, in plaats van de wezenlijke namen, voor vele zaken andere in
gebruik, waardoor herinnerd wordt aan eenig in 't oog vallend karakter van het
voorwerp. Ook gewone zelfstandige naamwoorden ondergaan, en ondergingen in
vroeger eeuwen, zulke wijzigingen. Heden zeggen wij b.v. een
pillendraaier
voor
een apotheker; een
sabelsleeper
voor een soldaat; een
pennelikker
voor een
commies; een
steek
, een
zwartrok
, een
hemeldragonder
voor een geestelijke; een
speldezoeker
voor een politieagent, e.m.a. Breero heet den oven
Swartjan
. In onze
middeleeuwsche volksliederen
1)
heet een schoenmaker een
peckedraet
, een
kleermaker een
spetluis
, een bakker een
kijkinoven
, een koster een
klinckerdiclanc
,
een kreupele een
huppenstup
, benamingen welke nog heden gedeeltelijk bekend
zijn. Men vergelijke een
schupen bessempie
(schop- en bezempje), de Overijselsche
benaming voor een karreman.
Klappen kregen in de volkstaal eveneens komische namen. Algemeen zegt men
rottingolie
, in Noord-Nederland, en
vet
, in Vlaanderen; men onderscheidt
handgeld
en
voetgeld
; Vondel (
War. d. Dieren
, nitg.
v. Lennep-Unger
, p. 19, vs. 14) gebruikt
stokkenbrood
, en Breero (
Symen
, vs. 372) ‘
stockvis
, met
vuystloock
overgoten’.
Ook de strop werd zoo tot een
hennipe venster
(
Koe
, vs. 8).
Mishandelingen vindt men ook in de oudere Germaansche talen opgevat als
drank
die gegeven wordt. Bekend zijn de woorden van Reinaert tot zijn oom Bruin die in
den boom gevangen zit:
(vs. 705) Hier coomt Lamfroit ende sal u scinken
Haddi gheten, so souddi drinken
2)
.
Ook Tibert ‘bruwt’ de vos ‘cloosterbier’. De aanwending van
tracteeren
voor slaag
geven moest gansch natuurlijk uit zulke benamingen voortvloeien.
In 't voorbijgaan wil ik nog wijzen op een andere soort van kleurrijke
volksuitdrukkingen. In zijn liefde voor prikkelende gezegden bezigt het volk wel eens
termen die, anders steeds voor heilige zaken gebruikt, door een toepassing op
gansch menschelijke, als 't ware tot een parodie worden van de echte en
oorspronkelijke beteekenis. Op die wijze heet het volk een serie vloeken een
litanie
,
een herberg een
kapelleken
; spreekt men van een huisgezin door zekere
gemeenschappelijke eigenaardigheden meestal op belachelijke
1)
Hoffmann v. Fallersleben,
Horae Belgicae
II
e
, n. 114.
2) Cf. vs. 2175. - Zie nog Nib. 1918,4.
hie schenket Hagne daz aller wirsiste tranc
; en in het ohd.
Ludwigslied 53
Her skancta cehanton sînan fîanton bitteres lîdes
. (Martin,
van den Vos
Reinaerde
p. 359).
Taal en Letteren. Jaargang 2
Commenti su questo manuale