290
van dat voegwoord is wel eigenaardig. Wij hebben het alleen in bovengenoemde
twee betrekkingen; de Engelschen gebruiken bij praedicatieve bepalingen niet alleen
if
en
though
(
indien
en
ofschoon
) maar ook
when
en
while
(
wanneer
en
terwijl
). Hoe
het nu komt, dat wij alleen bij de voorwaardelijke en toegevende, dus bij de
modale
betrekkingen (betrekkingen tusschen den aard der koppelingen) die voegwoorden
aantreffen en ze onmogelijk bij eenige andere betrekking kunnen gebruiken, - ziedaar
eene quaestie, welker oplossing ik gaarne aan meer bevoegden overlaat.
Eene opmerking, die bij de behandeling van den toegevenden bijzin gemaakt
moet worden, dient ook hier eene plaats te vinden. Soms toch is het niet de koppeling
der praedicatieve bepaling, die in toegevende betrekking tot de koppeling uit den
zin wordt voorgesteld, maar is het eene bijwoordelijke bepaling, zeer dikwijls van
graad, die bij het praedicaatswoord behoort. In dat geval wordt die bepaling uitgedrukt
door een vragend bijwoord, dat dan eene onbepaalde beteekenis heeft, en kan men
nooit een voegwoord gebruiken, om de toegevende betrekking uit te drukken. We
vinden zulk een geval in:
De Winter heeft
,
hoe grijs van kin
,
een kleur als melk en
bloed
. (Staring.)
Toch laat hem
,
hoe ook wuft en onbedacht en grillig
,
Dat snijdend
woord
: ‘
waarheen?
’
niet altoos onverschillig
. (Da Costa.) Deze praedicatieve
bepalingen komen ten opzichte der betrekking, waarin ze tot de gedachte uit den
zin staan, overeen met de objectieve toegevende bijzinnen, terwijl de andere, waarbij
het voegwoord kan worden gebruikt, bij de subjectieve toegevende bijzinnen
vergeleken kunnen worden.
Nu blijft ons nog eene soort van praedicatieve bepaling te bespreken, die, wat
haar vorm betreft, in de vergelijking haar oorsprong vindt. Ik bedoel uitdrukkingen
als:
Als vader moet ik u het verkeerde dier handelwijze onder het oog brengen
. Ook
hierin vinden we een voegwoord, maar niet, zooals in de behandelde gevallen, tot
uitdrukking der betrekking tusschen het praedicaatswoord en het gezegde uit den
zin; het voegwoord is hier vergelijkend en toont ons aan, dat we hier eigenlijk niet
met een praedicaatswoord te maken hebben. Tot verklaring van het ontstaan eener
dergelijke uitdrukking kunnen we het voorbeeld gebruiken:
Als een vader heb ik
altijd voor u gezorgd
. Hierin wordt het onderwerp van den zin
ik
vergeleken met
een
vader
, terwijl het resultaat dier vergelijking, de betrekking van gelijkheid tusschen
ik
en
vader
uitgedrukt wordt door het vergelijkend voegwoord
als
. Wat den naamval
betreft, kunnen we zeggen dat
vader
in naamval overeenkomt met
ik
, volgens den
regel, dat DE BEIDE LEDEN EENER VERGELIJKING IN DENZELFDEN NAAMVAL STAAN. Het
voegwoord
als
wijst dus op gelijkheid; bestond er ongelijkheid, dan drukten we zulks
uit door
dan;
die gelijkheid nu, door
als
uitgedrukt, gaat soms over in gelijkstelling,
in vereenzelviging van de beide leden der vergelijking. Dan kunnen we eigenlijk niet
meer van
vergelijking
spreken, omdat dan beide leden namen geworden zijn van
hetzelfde begrip. In algebra zouden we dan kunnen spreken van eene identieke
vergelijking. Die vereen-
Taal en Letteren. Jaargang 2
Commenti su questo manuale